Ecologisch onderzoek 2011 /Bodemdalingonderzoek Ameland voor Bodemdalingcommissie.

In 2011 moesten de onderzoekers weer een hoofdrapport schrijven over de voorgaande 6 jaar. De vorige hoofdrapportage vond in 2005 plaats. De deadline voor het inleveren van de hoofdstukken was 1 augustus waarna er nog een correctieronde volgde. Op 4 november werd de rapportage officieel aangeboden aan de NAM, Gemeente Ameland en de Waddenacademie. Er werd een openbare audit gehouden waar het onderzoek verdedigd moest worden. Voorheen gebeurde dat bij de RU Groningen maar omdat die nu ook bij de monitoring betrokken is kan dat niet meer. Het werd nu georganiseerd door de Waddenacademie en vond op 9 december 2011 plaats in de Piraat in Nes. Op 10 december volgde een excursiedag voor iedereen die Oost-Ameland met eigen ogen wilde aanschouwen. De excursiedag werd door het Natuurcentrum (J. Krol) georganiseerd en geleid. In grote lijnen komt het er op neer dat er op de audit ruim 100 waddendeskundigen en belangstellenden waren en dat zowel vanuit de auditoren van de Waddenacademie als uit het publiek nauwelijks kritiek te horen was en wel heel veel lof. Zowel over deze rapportage als het feit dat de monitoring nu in deze goede uitgebreide vorm al 25 jaar gaande is en een unieke reeks samenhangende data van Oost-Ameland en het omringende gebied heeft opgeleverd. De Waddenacademie zal in januari 2012 met een verslag en aanbevelingenrapport komen en dit aan de Bodemdalingscommissie aanbieden. Mogelijk zal hierin gevraagd worden om het uitwerken van alle data en expertise in een soort Oost-Ameland synthese (boek?) met een bredere basis en geldigheid voor de Waddenzee. En hopelijk zal men pleiten voor het voortzetten van het onderzoek op de huidige wijze. Op de site http://www.waddenacademie.knaw.nl/Symposium_december_2011.401.0.html kan direct doorgeklikt worden naar de Bodemdaling rapportage 2011 en ook naar een verslag van de audit en de excursie op 9 en 10 december. Het loont zeker de moeite om de PDF files van de rapportage te downloaden en te lezen. Alle materiaal heeft op Oost-Ameland betrekking en in veel hoofdstukken is de medewerking van het Natuurcentrum terug te vinden en behoorlijk wat hoofdstukken zijn volledig op het conto van het Natuurcentrum te schrijven.

 

1. Wad-plaathoogteontwikkeling/sedimentatie bij Oost Ameland met een referentiegebied bij West Ameland. Inmeten 16 proefvlakken Oost Ameland en 6 proefvlakken West-Ameland 6 maal per jaar.

2. Hon – panoramafoto’s. In mei wordt op een zestal vaste plaatsen op het Oerd en de Hon een panoramafoto (360 graden) gemaakt. Deze worden vergeleken met de voorgaande jaren.

3. Begrazing Vennoot. Jaarlijks wordt de begrazing druk op de Vennoot gevolgd in verband met de vegetatieontwikkeling. Vegetatieonderzoek wordt door Alterra (Kees Dijkema) uitgevoerd.

4. Broedplaatsmonitoring koloniebroeders op de Hon. De koloniebroeders (met name Lepelaar) worden jaarlijks gevolgd wat betreft hun nestplaatskeuze. De nesten worden extern exact ingemeten (RTK DGPS bepaling XYZ van nesten sterns/lepelaars). Met name de Z coördinaat wordt steeds interessanter vanwege mogelijke zeespiegelstijging. In 2009 is ism diverse onderzoekers een artikel geschreven over risico’s voor kustbroeders ivm zeespiegelstijging (co-auteur). Dit is ter publicatie aangeboden aan het internationale tijdschrift ‘Global Change Biology’.

5. Monitoring Groenknolorchis e.a. specifieke soorten. Op Oost-Ameland wordt in het dalingsgebied jaarlijks geïnventariseerd op zeldzame en belangrijke soorten voor dit gebied. Tevens is in 2009 meegewerkt aan een Belgisch onderzoek naar de DNA variatie van de Groenknolorchis in Nederland en België (nog 1 groeiplaats) en in 2010 naar een vergelijkbaar DNA onderzoek naar DNA overeenkomsten tussen de Nederlandse populaties van Groenknolorchis. De rapportages zijn nog niet verschenen.

6. Monitoring overstromingsfrequentie duinvalleien. Jaarlijks wordt in de periode oktober april de inundatie en duur van inundatie in duinvalleien op het Oerd gevolgd. Tevens worden enkele waterkwaliteitparameters verzameld. Dit is een wekelijkse meting.

7. Monitoring peilbuizen Oerd en Kooiduinen. Jaarlijks in september worden alle peilbuizen die aan het begin van de monitoring (1987) in de Kooiduinen tot de Hon gezet zijn opgenomen. Tevens wordt de kleidikte op de Vennoot en op de Hon op een aantal vaste punten opgemeten, deze data worden door Kees Dijkema verwerkt in zijn kwelderonderzoek.

8. Monitoring populatieonderzoek Scholeksters Oost-Ameland. Jaarlijks (sinds 2008)wordt een populatie scholeksters (ongeveer 35 broedpaar) bij de Oerdsloot gevolgd wat betreft nestplaatskeuze en broedsucces. Dit onderzoek wordt vooral uitgevoerd door SOVON (Bruno Ens) met hulp van Jan F. de Jong op Ameland.

9. Monitoring fouragerende vogels in bodemdalingsgebied Waddenzee. Het betreft een jaarlijks onderzoek naar de aantalsontwikkeling van 14 steltlopersoorten op Oost-Ameland. Simultaantellingen op West-Ameland dienen als referentie. De tellingen worden 10x per jaar uitgevoerd en worden door Marcel Kersten uitgevoerd/georganiseerd. Bodemdalingonderzoek Paesens voor NAM. In zijn algemeenheid is er steeds meer aandacht voor klimaatverandering en versnelde zeespiegelstijging. En dat speelt zeker in het Waddengebied dat zijn unieke waarde grotendeels ontleent aan droogvallende platen en daar in 2009 zelfs het diploma Werelderfgoed voor heeft ontvangen.

10. Wad-plaathoogteontwikkeling/sedimentatie bij Paesens –Moddergat (18 stations), Engelsmanplaat (6 stations) en Schiermonnikoog (6 stations). Inmeten gebeurt 6x per jaar op dezelfde wijze als bij Ameland. De metingen op Schiermonnikoog gebeuren door collega’s van het bezoekerscentrum aldaar (Oude Centrale). Als extra is er een referentiegebied bij Busum in Schleswig-Holstein. Gemeten wordt daar door mensen van Forschungs- und Technologiezentrum Westküste (FTZ) onder leiding van Klaus Ricklefs. Monitoring dynamisch kustbeheer Rijkswaterstaat. In 2011 is deze monitoring weer uitgevoerd (nr 11, 12 en 13). Intussen is in de vergunningen voor de zandsuppleties bij Ameland wel opgenomen dat er een monitoring van effecten en herstelonderzoek moet komen. Hiervoor is budget voor 6 jaar. Maar dat is een landelijk iets dat ook landelijk aangestuurd wordt en ook landelijk wordt uitbesteed via openbare inschrijving en bij dit werk zijn wij niet betrokken. Omdat de ontwikkeling van de kust en met name de zeereep ons erg interesseert en wij ook denken dat daar meer onderzoek naar zou kunnen worden gedaan hebben we dat hier en daar aangekaart. Dat heeft er toe geleid dat er een master student van de WUR is (Bart de Jong) die naar de ontwikkeling van de zeereep op Oost-Ameland heeft gekeken. Hij heeft op drie plaatsen een transect van duin naar zee analyse gedaan en ook veld metingen gedaan en heeft verder gebruik gemaakt van bestaande data zoals de jaarlijkse Jarkus metingen van RWS. Hij heeft zijn verslag bij de WUR afgerond en we hebben een vrijwel volledige weergave ervan opgenomen in het Bodemdalingsrapport 2011. Op de site http://www.waddenzee.nl/Rapportage_2011.2785.0.html  kan dit in het hoofdstuk Morfologie teruggevonden worden. Inmiddels (eind 2011) heeft IFG met name het deel wat in dit rapport beschreven staat machinaal veranderd. Men heeft kerven en kale plekken aangebracht teneinde de dynamiek nog meer te versterken. Het is erg interessant om de komende jaren dit gebied te volgen.

11. Zeereepontwikkeling kustvak pl 3 tot 4.6. Jaarlijks wordt dit deel van de zeereep fysiek ingemeten (XY) op een tiental transecten waarbij tevens de ligging van de top van de zeereep wordt vastgesteld. Tevens wordt de vegetatie opgenomen in vakken van 100m lengte en wordt iedere 200m een foto van de duinzijde en de strandzijde gemaakt.

12. Vegetatieontwikkeling lange Duinen NZ. Jaarlijks wordt op een viertal transecten vanaf de zeereep dwars door de Lange duinen NZ in het gebied pl 3 tot 4.4 de vegetatie opgenomen. De transecten zijn 20m breed en er wordt in vakken van 20x20m opgenomen.

13. Vegetatieontwikkeling Groene Strand Ballum. Jaarlijks wordt de vegetatie en vegetatietypes opgenomen op het Groene strand tussen paal 5 en 7. Korte toegepaste ecologische onderzoeken.

14. Voor Boskalis is in 2011 een korte verkenning van het strandgedeelte paal 16 – 20 gedaan waarop gesuppleerd ging worden. In de vergunningsvoorwaarden is opgenomen dat het werkgebied onderzocht moet zijn op bijzondere flora en fauna (met name broedvogels). Er werd niks bezwaarlijks aangetroffen en hiervan is gerapporteerd aan de opdrachtgever.

15. Voor van Oord is in 2011 een korte verkenning van het strandgedeelte paal 2 – 4 gedaan waarop gesuppleerd ging worden. In de vergunningsvoorwaarden is opgenomen dat het werkgebied onderzocht moet zijn op bijzondere flora en fauna (met name broedvogels). Er werd niks bezwaarlijks aangetroffen en hiervan is gerapporteerd aan de opdrachtgever.

16. Voor Rijkswaterstaat is in de duinen bij paal 11 een oude boorlocatie onderzocht op bijzondere flora en fauna. Hier dient in de winter 2011-2012 gegraven te worden teneinde verontreinigde grond af te kunnen voeren. Deze plaats is enkele jaren geleden ook gedeeltelijk gesaneerd en inmiddels hadden zich Rugstreeppadden (Habitatsoort) gevestigd. In overleg en door nauwkeurig te werken zal het mogelijk zijn deze voortplantingsplaats voor Rugstreeppadden te behouden en het werk af te kunnen maken.

 u kunt hier het artikel als pdf document downloaden