De Cammingha’sIII I 2.1 - 12

Ameland,  werd sinds de veertiende eeuw geregeerd door de Cammingha’s. Van achter de dikke muren van hun in begin 1400 gebouwde en in 1604 nogmaals vernieuwde burcht, de Jelmera-State te Ballum, hebben ze enige eeuwen geregeerd over de ca. 2000 boeren, vissers en zeelieden, die het eiland bewoonden. 

De eerste bekende heer van Ameland was Rienck Donia. Zijn nageslacht nam de namen Donia van Jelmera aan. Vanaf 1424 trad Ritske Jelmera Cammingha op als vertegenwoordiger van de Amelanders. Hij riep zichzelf uit tot heer van Ameland, dat als zodanig een ‘Vrije Heerlijkheid’ vormde, en sloot in 1429 een overeenkomst met de graaf van Holland.

Het eiland bleef een vrijheerschap tot 1680, toen de Amelandse tak van de familie Cammingha uitstierf. De teloorgang begon toen Pieter van Cammingha kinderloos stierf (ca. 1637) op de Jelmerastate te Ballum. Zijn in 1592 geboren broer Wytze, die ongehuwd was, volgde hem op als vrijheer van Ameland. In dat zelfde jaar huwde Wytze van Cammingha met de meer dan 20 jaar jongere Saepck van Vervou, de stiefdochter van zijn overleden broer Pieter.

Ook Wytze kwam jong te overlijden, zijn weduwe  Saepck ging daarna op het Martenahuis  te Franeker wonen. In 1681 stierf de mannelijke lijn van de Cammingha’s uit en kwam Ameland  in de handen van de familie Thoe Schwartsenberg en Hohenlandsberg. Ze waren door huwelijk verbonden met de Cammingha’s en erfden het eiland. Tot 1704 waren zij Heren van Ameland.

In 1704 kocht prinses Henriëtte Amalia, de weduwe van de Friese stadhouder Hendrik Casimir 11, ten behoeve van haar zoon Johan Willem Friso, de heerlijkheid Ameland voor 1.170.000,- Alle rechten en titels gingen op de koper over, ook die van vrijvrouwe van Ameland. Sindsdien is deze titel aan het Huis van Oranje verbonden gebleven. Koning Willem Alexander is de huidige drager van de titel Vrijheer van Ameland.